Heeft Paulus zich vergist in het tijdstip van de wederkomst

Gepost 2014/06/10

Vraag:

1 Thessalonicensen 4. In dit Bijbelhoofdstuk staat: 16: “Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan”; ....

Lees de vraag en het antwoord volgens ds. van Kampen

Antwoord voorzien commentaar

Paulus zegt niet: zij die dan leven zullen, maar wij, de levenden (15) en nogmaals (17) daarna zullen wij, de levenden... en zo zullen wij altijd met de Heere wezen. Betekent dit dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de opname (!) zou meemaken? Hij rekent zichzelf bij die “wij”. Maar hij is gestorven en de komst van de Heere Jezus is nog niet gebeurd, dus Paulus heeft zich vergist?

Nee, zo moet je niet denken. Paulus spreekt hier de taal van het geloof. Zo horen wij allemaal te praten. Een christen is niet iemand die wacht op zijn dood en staart naar een gat beneden in de grond, maar een christen is iemand die opziet naar boven en uitziet naar de komst van Zijn geliefde Heere en Heiland op de wolken. Dat kan eerder plaatsvinden dat de dag van mijn dood. Een maranathachristen verwacht zijn Koning in heerlijkheid. Hij gelooft dat Jezus zal terugkomen en hij hóópt ook dat het zal gebeuren terwijl hij nog op aarde verkeert. Ik hoop dat ik het mag meemaken tijdens mijn leven.

De gestelde vraag is voor velen een struikelblok. Want niet alleen Paulus, maar ook Jezus zelf heeft uitspraken gedaan omtrent de wederkomst die spraken over een koninkrijk der hemelen dat aanstaande was. Daarbij is niet gedoeld op een periode van 2000jaar. In het NT komen we behoorlijk wat teksten tegen die evenwel toch spreken van een in die dagen aanstaand koninkrijk in combinatie met een wederkomst. Toch is het zo niet gelopen. Vele mensen in de kerkgeschiedenis hebben hier over nagedacht en gepoogd een antwoord te vinden op deze vraag. Voor velen is het ook een reden geweest om Gods Woord niet meer te geloven.

Het antwoord van deze predikant doet ook geen recht aan de Bijbel. Het lijkt natuurlijk voor de hand liggend om te stellen dat Jezus, zijn discipelen en de apostelen zich hebben vergist. Zie hiervoor ook de bedenkelijke uitleg van de kanttekenaren bij Handelingen 1:6 en 7.

De predikant geeft aan dat je niet kunt stellen dat Paulus (en de anderen) zich vergist hebben. want bedenk wel, als je stelt dat Paulus zich vergist heeft, moeten we ook stellen dat Jezus zich vergist zou hebben.

Dus, inderdaad, zo moeten we niet denken. Maar het antwoord van deze predikant is ook niet  helemaal de juiste uitleg. Het is wat gekunsteld. In bijvoorbeeld de thessalonisenzenbrief (een vroege brief) verwacht Paulus wel degelijk de wederkomst zelf mee te maken. Ook Petrus en Jacobus schrijven er over in hun zendingsbrieven en ook de Hebreeenschrijver (met alle waarschijnlijkheid Paulus).

Jakobus schrijft: zie, de Rechter staat voor de deur. In de Hebreeenbrief lezen we: nog een korte, korte tijd en Hij die komt zal er zijn. Paulus en de anderen schreven dit niet zomaar. Daar was reden toe en dat had in die dagen alles met Israel te maken, namelijk met de wederoprichting van de vervallen hut van David. De verwachting was namelijk dat het koninkrijk aan Israel zou worden opgericht op voorwaarde dat het als natie tot berouw en inkeer zou komen. Heel de handelingenperiode is dat de hoop en verwachting. Daartoe wordt er gepredikt. Echter, aan het eind van de handelingenperiode blijkt dat Israel als natie niet tot  berouw en bekering gekomen is. het komende koninkrijk wordt opgeschort. Israel wordt dan in het jaar 70 alles afgenomen en uit het land gezet. Zie hiervoor de hoofdstukken in Deuteronium 28-32 waar gesproken wordt over de zegen en de vloek. Sinds het jaar 70 is Israel vanwege ongeloof uit het land gezet. Niet definitief maar totdat, een Goddelijk totdat. Totdat God de draad met Israel weer zal oppakken. Tot op de huidige dag is dit nog steeds niet aan de orde.

Een christen rekent met de komst van de Heere Jezus en dan komt het niet in je gedachten op dat je misschien zelf voor die tijd al gestorven zou kunnen zijn, hoewel dat natuurlijk mogelijk is, dat wist Paulus ook wel. Maar het is niet de houding van een christen. Je kijkt naar Hem uit: niet met je handen in het haar van wanhoop maar met je hand boven je ogen verwacht je Hem. Niet passief  afwachten, wel actief verwachten: zoals een aanstaande moeder haar ongeboren kind, terwijl ze toch haar dagelijks werk doet, zo de christen zijn Koning.

Van Paulus weten we dat hij zegt in 2 Kor. 5:4 Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaart, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden.

Deze zelfde Paulus zegt in Fil.1: 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 
22 Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 
23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.

Deze twee uitspraken staan lijnrecht tegen over elkaar. In de handelingen periode, toen het koninkrijk der hemelen nog steeds aanstaande was, wilde Paulus die wederkomst meemaken. Hij wilde in een punt des tijd verandert worden van sterfelijk naar onsterfelijk. Paulus wilde niet sterven maar levend overblijven tot de komst des Heeren.

Dit is in tegenstelling met Filippenzen 1 waarin dezelfde Paulus  beweert wel graag ontbonden te willen worden (sterven) en met Christus te zijn. Toch wist Paulus dat in het vlees te blijven nodiger was ten behoeve van anderen. Dat Paulus hier stelt wel te willen sterven heeft alles te maken met de uitgestelde wederkomst van de Messias voor Israel. De Handelingenperiode laat zien, ondanks inzet van vele verkondigers zoals discipelen en apostelen, dat israel niet tot berouw en bekering kwam. Daarmee kwam ook een eind aan deze boodschap. Israels bekering als natie was niet meer aan de orde. Het nieuwe verbond, dat was aangekondigt wordt niet uitgevoerd maar uitgesteld. Daarom kan de hebreenschrijver ook melden dat het oude verbond op het punt staat van verdwijnen. Op het moment van schrijven in de handelingentijd was het oude verbond er dus nog steeds. Het nieuwe verbond was al wel bekendgemaakt en dat ging gepaard met krachten en wonderen en tekenen. God bevestigde de boodschap van het nieuwe verbond. Maar het had wel alles met Israel te maken. Maar, waar God zelf meewerkte en de boodschap van het nieuwe verbond ondersteunde door krachten en wonderen en tekenenen, blijkt aan het eind van de handelingenperiode dat Israel als natie niet tot de verwachte berouw en inkeer komt. En dan onderbreekt God zijn handelen met Israel. Israel wordt gelijkgesteld met de volkeren en alles wordt Israel in het jaar zeventig afgenomen.

God openbaart aan Paulus een geheimenis. Een geheimenis dat vroegere geslachten niet bekend is geweest en tot die tijd verborgen is gebleven in God. Paulus was de eerste die dit geheimenis ter ore is gekomen. Dit geheimenis staat los van het oude/nieuwe verbond. Maar met het bekendmaken van het geheimenis begreep ook Paulus dat de wederkomst die eerst aanstaande was, nu voorlopig niet meer aan de orde was. Er is een verschil in de vroege brieven van Paulus en de late brieven van Paulus.

Niemand kan de dag van de verschijning berekenen, maar dat Hij komt staat vast. Laat de gelovige zijn Heere blijven verwachten in de zekerheid dat hij Hem elk ogenblik kan zien verschijnen. Elke nieuw week in je agenda als het ware schrijven: “Jezus zou deze week kunnen komen.”

Dat Jezus deze week zou kunnen terugkomen is volgens de Bijbel complete onzin. Er moet nog heel wat gebeuren, hoewel dit in een korte tijd kan gebeuren, voordat de wederkomst zal gaan plaatsvinden. De opbouw van het “toneel” is in volle gang. Echter, de laatste jaarweek moet nog steeds aanbreken. En aangezien deze laatste jaarweek een periode beslaat van zeven jaar en er voor het aanbreken van deze laatste jaarweek bepaalde zaken dienen te gebeuren is onzinnig dergelijke uitspraken te doen. Misschien klinkt het vroom en het zal goed bedoeld en waarschuwend bedoeld zijn maar slaat desondanks de plank flink mis. Een gelovige hoeft vandaag de dag niet te wachten in de zekerheid dat hij Hem elk ogenblik kan zien verschijnen. Dit is volgens de Bijbel pertinent niet waar.

Ook Petrus ging ervan uit dat zijn lezers dit best nog zouden kunnen beleven: 2 Petrus 1:19: “Totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in úw hart.” 2 Petrus 3:14: “Omdat u hiernaar uitziet moet u zich inspannen om smetteloos en onberispelijk en in vrede door Hem te worden aangetroffen.”

Dat Petrus er van uitging dat zijn lezers dit best nog zouden kunnen beleven is helemaal waar. Dat had namelijk alles te maken met zijn toespraken in Handelingen 2 en 3. Petrus deed deze uitspraken tegen Joden in israel en in de verstrooiing en hadden alles te maken met het feit dat israel zich diende te bekeren zodat er tijden van verademing konden komen voor het aangezicht des Heeren. Niet voor niets vragen de discipelen aan Jezus: zult gij in deze tijd aan Israel het koninkrijk oprichten? (hand.1:6). De voorwaarde was dat Israel zich zou bekeren in de handelingenperiode en Petrus en Jakobus roepen hun broeders en verwanten naar het vlees dan ook daartoe op. Evenzo zit Paulus vanwege de “hoop van Israel” gevangen.

We kunnen de brieven van Petrus dan ook niet één op één doortrekken naar vandaag. Ze zijn ook gericht aan de broeders in de verstrooiing en niet aan ons. Heel Gods Woord is voor ons maar niet heel Gods Woord gaat over ons.

Wie uitkijkt naar een wederkomst die “elk moment” zou kunnen plaats vinden is verkeerd bezig. Men houdt zich bezig met dingen die niet op hem of haar betrekking hebben.

Handelingen 2:39 is ook een vers dat veelvuldig op de kerk van vandaag wordt toegepast.

39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

Vlgs de kanttekenaren: Verre:
Dat is, die nog namaals zullen geboren worden, van geslacht tot geslacht; of den heidenen; want die worden ook gezegd verre geweest te zijn, Jes. 57:19. Ef. 2:1

Het vers in Jesaja 57:19 betreft in de context toch echt het volk Israel. In efeze heeft het betrekking op jood en heiden maar dan betreft het geen verbondsrelatie zoals Israel maar betreft het iets “hogers”, namelijk, het Lichaam van Christus.

Het ware beter geweest als met betrekking tot Handelingen 2:39 zou worden teruggegrepen op Daniel 7:9. Daar wordt gesproken over hen die dichtbij en die veraf zijn en wordt ook benoemd op wie dat betrekking heeft.

Dan.7:9 Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden hebben.

Dit is geen gekunstelde uitleg en gewoon tekst met tekst vergelijken. Ook is het in het geheel niet nodig om ons zelf in deze teksten in te lezen. We, en dat betreft allen die dit lezen, ongeacht wie u bent, dienen zelf de schrift te onderzoeken en op zoek te gaan naar antwoorden. In veel gevallen kunnen we gewoon teruggrijpen op Gods Woord. In andere gevallen dienen we goed naar de geschiedenis van Israel te kijken.

Wie weet, komt Hij nog bij ons leven! Vol verwachting blijf ik uitzien tot die dag eens dagen zal, dat de Heiland op de wolken weerkomt met bazuingeschal. Bij Paulus was het geen tijdsberekening, maar een geesteshouding! Het was geen vergissen met het verstand, maar een wensen van het hart.

Wie nuchter de Bijbel leest zal tot de ontdekking komen dat een dergelijke verwachting, gezien de tijd waarin wij leven, nog niet aan de orde is. Beter is het te verlangen met Christus te zijn en ontbonden te worden maar tegelijkertijd beseffen dat in het vlees te blijven nodiger is voor anderen. Hoewel ik direct een kanttekening maak dat niet iederen een “paulus” is en een “paulus” behoeft te zijn.

De Messiasbelijdende Jood Isaac Da Costa schreef: “Het is de mens eigen om spoedig te willen zien gebeuren wat hem hoogst begeerlijk voorkomt en wat kan er begeerlijker zijn dan de wederkomst van de Heere, waarmee het einde van de strijd aangebroken, de aanvang van het heerlijkste werk gekomen is.”

Mijn vraag aan jou is:  verwacht jij Hem?

Ds. M. M. van Campen