"We laten profetie in vervulling gaan"

Gepost 2014/05/08

Johan Huibers over nieuwe missie in Israël

“Naast de Ark van Noach begin ik deze maand met een nieuw avontuur. Ik ga naar Israel om daar de profetie van Ezechiël 47 in vervulling te helpen brengen. 

Lees artikel

Citaat: Ik ga naar Israël om daar de profetie van Ezechiël 47 in vervulling te helpen brengen.

Voor we ons afvragen om welke profetie het gaat:‘Vissen zullen zwemmen in de Dode Zee, de woestijn zal bloeien als een roos,”  

Om zo stellig te kunnen beweren dat je gaat helpen een dergelijke profetie in vervulling te helpen brengen moet je wel sterk in je schoenen staan. Aan het eind van het artikel komt de aap uit de mouw. Het bouwen van de ark is voor deze meneer Huibers een staaltje van geloofsvertrouwen en dat wordt doorgetrokken tbv het uitvoeren van de genoemde profetie. Immers, God roept hem hiervoor en dhr. Huibers voert het uit. Ja, God zal zelf het werk tbv deze profetie zegenen.

 

Aan het eind van het artikel is het volgende te lezen.

“Dat ik de vervulling van deze profetie aan God over moet laten, geloof ik niet. Als ik daar op moet wachten, had ik ook de ark niet gebouwd. God roept me hier voor en ik voer het uit. Hij achtervolgt het met Zijn zegen.”

Maar waar heeft dhr. Huibers het eigenlijk over. Worden er hier niet wat zaken uit zijn verband gerukt?

Voor wie een beetje bekend is in de Bijbel zal geweten zijn dat dit hoofdstuk 47 een onderdeel vormt uit de laatste 9 hoofdstukken van Ezechiel. Hierin gaat het over het visioen van de nieuwe tempel. Dit begint in hoofdstuk 40 en eindigt in hoofdstuk 48.

Het is goed om voorafgaand aan hoofdstuk 40 ook de laatste verzen van Ezechiel 39 te lezen.

22 En die van het huis Israëls zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.
23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;
24 Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.
25 Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israëls, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;
26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.
27 Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;
28 Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.
29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.

Na deze verzen begint het visioen over de tempel. Ezechiel wordt door de Here meegenomen in gezichten naar het land Israel en op een zeer hoge berg gezet.

1 In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts.
2 In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij op een zeer hogen berg; en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.

Als Ezechiel, in het visioen, geposteerd is, zegt de man die tot hem (Ezechiel) spreekt een belangrijk woord.

4 En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet.

Hetgeen wat dus volgt in dit en volgende hoofdstukken, ofwel alles wat er staat beschreven in hoofdstuk 40 t/m 48 is dus bedoeld voor het huis Israëls. Of om het nog duidelijker te zeggen, het slaat niet op Nederlanders bijvoorbeeld. Ook is deze boodschap qua inhoud niet bedoeld voor heidenen (gelet op het perspectief vanuit de Bijbel). Nee, deze woorden /visioenen zijn bedoeld voor het huis van Israël.

Hoofdstuk na hoofdstuk wordt er zeer gedetailleerde informatie verstrekt over toekomende zaken die tot op de huidige dag nog niet vervuld zijn.

Hoofdstuk 47 begint met de woorden:

1 Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.

Ezechiel had zojuist een hele rondleiding gehad door de tempel maar wordt hier weer terug gebracht tot de deur van het huis, namelijk de tempel en ziet, er vloten wateren uit. Daarna moet Ezechiel naar buiten gaan en diverse keren de diepte meten van het water. Maar Ezechiel ontdekt nog iets bijzonders. Het water dat zijn oorsprong heeft in de tempel en dus vanuit de tempel naar buiten stroomt blijkt een dusdanige uitwerking te hebben dat het gezond maakt. Wateren die dus niet gezond zijn, of zout, worden door dit water, weer gezond gemaakt met als gevolgd dat er bomen gaan groeien, er talloze vissen zullen zijn etc.

En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek.
7 Als ik wederkeerde, ziet, zo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.
8 Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.
9 Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.
10 Ook zal het geschieden, dat er vissers aan dezelve zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.
11 Doch haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.
12 Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.

Als ik deze verzen lees dan raad ik dhr. Huibers aan dit gedeelte maar eens goed tot hem te laten doordringen. Hoezo kan of wil hij niet wachten tot God dit zelf gaat uitvoeren? Er hoeft niet moeilijk gedaan te worden met eendenkroos, filters en allerlei geleerden hoeven zich het hoofd er niet over te buigen. Alleen de Bijbelse oplossing en de vervulling van deze profetie laat nog even op zich wachten. Er zullen eerst andere zaken moeten plaatsvinden voor het zover is. Dus geachte heer Huibers? Het komt echt goed. Lees maar in Gods Woord.